Seen from Space

Meer dan een Belg op twee houdt van YouTube

Als hoofdrolspeler in de bruisende streamingindustrie is YouTube een referentie vanwege zijn leeftijd (15 jaar), zijn volume (2 miljard gebruikers per maand, meerdere miljarden views per dag) en zijn groeivermogen (na 15 jaar blijft het fans veroveren). Niets lijkt het te kunnen bedreigen. Maar hoe populair is de leader inzake online video bij ons? Volgens de recentste Establishment Survey verklaren meer dan 5 miljoen mensen YouTube te gebruiken, dus meer dan een Belg op twee (12+). Dat is een stijging van 14% in vergelijking tot 2018, goed voor 650.000 nieuwe gebruikers, van wie twee derde Franstalig is. De groei is inderdaad veel duidelijker in het zuidelijke landsgedeelte (+ 21%) dan in het noorden (+ 9%). Daarmee klokt 2019 af op een equivalent aantal gebruikers (± 2,6 miljoen) in beide landsgedeelten. De penetratie is daardoor duidelijk sterker aan Franstalige zijde (59%) dan in Vlaanderen (47%). Het gebruikersprofiel is wel heel vergelijkbaar aan beide regio's: iets mannelijker dan vrouwelijk, erg jong (50% is jonger dan 35 jaar) en dus actief, sociaal gegoed en in een gezin. Slechts een derde van de gebruikers verklaart YouTube soms op een televisiescherm, wat weinig en veel is. Weinig gezien het aantal gebruikers, veel aangezien YouTube oorspronkelijk een zuiver internetproduct was. Wereldwijd zou 70% van de video's op YouTube op mobile bekeken worden. Ondanks zijn 15-jarig bestaan zit er geen enkele sleet op YouTube. Het blijft groeien op zijn centrale doelgroep en proportioneel gezien nog sterker op de oudere bevolkingsgroepen.

SeenFromSpace
SeenFromSpace

Mediaconsumptie en leeftijd - groeiende divergentie?

In een behoorlijk gedetailleerd verslag ('Making sense. The commercial media landscape') maakt het Institute of Practitioners in Advertising (IPA), de bureauvereniging aan de andere kant van het Kanaal, een stand van zaken op van de mediaconsumptie. Daartoe vertrekt het van Touchpoints, de opmerkelijke studie die sinds enkele jaren de crossmedia strategieën van de Britse adverteerders bepaalt. Een van de analyses betreft de correlatie tussen het mediagebruik van de jongeren (16-34 jaar) en de senioren (55-plussers). Zowel wat de tijd als de penetratie betreft ('weekly reach'), neemt de correlatie mettertijd af. IPA merkt op: "Het mediagedrag van de 55+ verandert aanzienlijk langzamer dan dat van de jongeren, en daarom worden [media] gewoonten aanzienlijk diverser. " Een interessante vaststelling waarvan we ons kunnen afvragen of ze van toepassing kan zijn op België. Helaas hebben we hier geen eenduidig en stabiel hulpmiddel zoals het Touchpoints-onderzoek tot onze beschikking. De tijd die aan de media besteed wordt, is weliswaar beschikbaar via CIM TV en RAM (en het internet kan worden geschat via de Establishment Survey). Maar daar stopt het. We hebben echter geprobeerd een vergelijking te maken met behulp van penetratiegegevens, zoals die te vinden zijn in de tactische studies voor tv, radio, NRS-pers en bioscoop. Voor internet worden dagelijkse cumulatieve bereikschattingen afgeleid van PMP-gegevens (2009) en de Establishment Survey (2019). Natuurlijk zijn de tijdreferenties verschillend: ze zijn vaak dagelijks, maar ook wekelijks (bioscoop) en maandelijks (periodieke pers). Het belangrijkste leek ons het verschil tussen de leeftijdsgroepen te zijn. Dat leek inderdaad het bestaan van een divergentie te bevestigen. Voor de meeste traditionele media is de consumptie-index van 15-34-jarigen vergeleken met die van de 55-plussers inderdaad gedaald van 2009 tot 2019. Daar bestaat dus een groeiende divergentie. Maar op het punt waar het gedrag 10 jaar geleden het felst verschilde - met name internet en de bioscoop - is de indexwaarde gedaald. De senioren vonden dus de weg naar digital en de bioscoop is iets minder karakteristiek voor de millenials dan tien jaar geleden. Kortom, dit bevestigt in grote lijnen de opmerking van het IPA dat een brede dekking - die noodzakelijk is voor het succes van reclame - diverser wordt naargelang de leeftijdscategorie. "A 'one size fits all' media approach is likely to be less effective than it was previously." En daarmee is alles gezegd.

Informatiebronnen over de merken, Belgisch compromis

"Hoe informeert u zich meestal over nieuwe merken of producten?". Aldus de vraag die al meerdere jaren gesteld wordt in de Global Web Index (GWI) enquête, ook in België. Belangrijke precisering: het gaat hier om een onderzoek dat uitsluitend online gevoerd wordt bij de internetbevolking van 16 tot 64 jaar. Volgens de geconsolideerde resultaten voor de vier trimesters van 2019, raadpleegt de gemiddelde Belg zoals bestudeerd in de GWI zes verschillende informatiebronnen op een totaal van 34 voorstellen. Bovenaan de rangschikking van de belangrijkste informatiebronnen, staan de zoekmotoren, gevolgd door aanbevelingen van vrienden en familie, voor... televisiereclame en pers. De top vijf wordt afgesloten met de merkensites. Televisiereclame staat ook bij de jongeren dan 35 jaar in het toptrio. Als we kijken naar de top 15 van de grafiek, is die verdeeld over 7 online en 6 offline kanalen. De rest (word of mouth en direct [e]mail) is niet meteen duidelijk onder te brengen. Een behoorlijk atypisch compromis dus. Als je vergelijkt met de globale rangschikking (GWI bestudeert meer dan 40 landen wereldwijd) onderscheidt België zich door een meer dan gemiddelde raadpleging van zoekmotoren en door de invloed van de omgeving. Ook de aanwezigheid bovenaan de rangschikking van offline bronnen als de pers en de radio is typisch voor ons land dat behoorlijk minder enthousiast is dan elders voor digitale bronnen. Belgen zijn ook jaar na jaar coherent, aangezien de proportie van radio de afgelopen vijf jaar bijna ongewijzigd is gebleven. De pers daalde slechts heel licht. De GWI en zijn info over de online bevolking zijn geruststellend voor adverteerders die on en offline mixen. De enige zwakte van de studie is het gebrek aan tijdsgebonden rangschikking. We kunnen veronderstellen dat bepaalde informatiebronnen eerder geraadpleegd worden dan andere. Search is volgens ons bijvoorbeeld een kanaal dat geraadpleegd wordt voor al gekende merken of producten, terwijl meer generalistische reclame ruimer mikt en dus in een vroeger stadium werkt.

SeenFromSpace
SeenFromSpace

Meer dan drie miljoen Belgische gebruikers voor Netflix volgens de ES 2019

Ook al zijn er almaar meer sites/applicaties met video content, volgens de laatste Establishment Survey (ES) van het CIM is netflix na YouTube het sterkst ingeplant in België. Netflix is 's werelds grootste SVOD-platform (met 160 miljoen abonnees) en is in België aanwezig sinds 2014. Het wordt beschouwd als bedreigend en bedreigd, maar is sowieso een fundamentele speler in de revolutie die onze kijkgewoonten de afgelopen jaren treft. Een Belg op drie (12+) verklaart Netflix te gebruiken (op alle devices). De proportie is identiek in het noorden en het zuiden, goed voor meer dan drie miljoen mensen en een miljoen abonnementen in België. De groeicijfers zijn spectaculair. In twee jaar is het aantal gebruikers met meer dan 50% gestegen bij de 12-34-jarigen en bijna verdubbeld bij de 35-plussers. Er is wel sprake van een enorme generatiekloof. Bij de 12-24-jarigen verklaren twee respondenten op drie Netflix te gebruiken; bij de 55-plussers is dat slechts 8%. 56% van de gebruikers is inderdaad jonger dan 35 jaar en 33% is jonger dan 25. 56% behoort tot de sociale groepen 1 tot 4; de kans om deel uit te maken van gezinnen van minstens 3 personen is groot, gezien de leeftijd van de desbetreffende personen. Netflix is daarentegen uniseks. De typische Netflix-gebruiker is een jonge man of vrouw die nog bij zijn of haar ouders woont in een eerder 'gegoed' gezin. Dat verklaart wellicht een op het eerste gezicht verbazend feit: slechts de helft van diegenen die verklaren Netflix te gebruiken, verklaart dat ze de dienst soms op hun televisietoestel bekijken. Dat lijkt op het eerste gezicht weinig, maar gezien de jonge leeftijd van de meeste gebruikers, is het heel aannemelijk. Dat geeft uitzicht op een relatief hoog globaal bereik. Ook al is Netflix niet als dusdanig geïdentificeerd in de CIM TV, is een groot deel van het stijgende Other Screen Usage van de afgelopen jaren ongetwijfeld aan de SVOD-dienst toe te schrijven. Maar de studie registreert enkel het televisiebereik, waardoor het bereik van de helft van de gebruikers dus ontbreekt, net zoals het bereik van diegenen die Netflix op televisie bekijken als ze op andere devices zitten. Het uiteindelijke cijfer zou veel hoger kunnen zijn dan we denken. Het is duidelijk dat Netflix er zijn handen zal vol aan hebben om zijn leidersplaats de komende jaren te behouden, in het licht van de concurrentie van giganten als Amazon Prime (web), Disney (entertainment) en de OTT-formules van televisiezenders (zoals Auvio). Maar het heeft alvast een mooie voorsprong, zeker bij de jongeren.

Belgen iets meer dan twee uur online

De zopas gepubliceerde Establishment Survey 2019 (field: oktober 2018 tot september 2019) is een rijke bron van informatie, onder andere over het digitale gedrag of de technologische infrastructuur bij de Belgische bevolking, met inbegrip van audio en video. Voortaan is het mogelijk om de evolutie over drie jaar te bestuderen. Verder omvat deze editie langverwachte nieuwigheden, zoals informatie over het internetverbruik (alle activiteiten samen). Daartoe werd het dagelijkse volume opgedeeld in zeven oplopende schijven. Ongeveer een Belg op vier verklaart een tot twee uur per dag te surfen; ongeveer een op zes surft meer dan vier uur per dag. Het gemiddelde bedraagt naar schatting 139 minutes -2 uur en 19 minuten per dag. Er bestaat geen noemenswaardig verschil tussen Frans- en Nederlandstaligen. Uit een correspondentieanalyse blijkt dat de verschillende consumptietijd niets te maken heeft met de taal of met het gender van de respondenten. De generatie speelt wel een doorslaggevende rol. Bijna 37% van de surfers jonger dan 25 jaar verklaart meer dan vier uur per dag te surfen; bij de surfers in het algemeen bedraagt dit percentage minder dan 20%. De light surfers zijn naar alle waarschijnlijkheid ouder en behoren tot de minder gegoede bevolkingsgroepen. Nog een onderscheidend kenmerk is de activiteit van de respondent. Individuen met een beroepsactiviteit, onderscheiden zich van de respondenten zonder. Deze laatsten zijn - wellicht mede door hun jonge leeftijd - geneigd om meer tijd op het internet door te brengen. Aan de andere kant van het spectrum brengen de niet-werkende gepensioneerden weinig tijd online door. Respondenten die over meerdere devices beschikken, hebben bijgevolg toegang tot een ruimere tech-infrastructuur, en mechanisch gezien is de kans dus groter dat ze tot de heavy users behoren. Wat dat betreft, onthult de Establishment Survey 2019 geen revolutionaire insights, maar wel betrouwbare kwaliteitsgegevens die bevestigen wat we al bij al vermoedden.

SeenFromSpace
SeenFromSpace

Binge watching neemt toe en verandert

Een Belg op drie doet geregeld aan binge watching. Het is dan ook geen nieuw gegeven. Als we terugdenken aan de jaren '80, was een VHS-box of 3 afleveringen van Desperate Housewifes achter elkaar uitkijken op een grote zender, ook al een vorm van binge watching. De huidige technologie en de bijhorende diensten hebben het verschijnsel nog versterkt, door de series veel makkelijker beschikbaar te maken. In de laatste versie van de Establishment Survey (ES) van het CIM stijgt het percentage 'binge watchers' (in de studie zijn dat respondenten die minstens drie episodes van dezelfde serie bekeken hebben op dezelfde dag). De stijging wordt geboost door een sterke stijging bij de 35-54-jarigen. Binnen die groep verklaart 40% te binge watchen. Bij de jongeren (12-34) is dat zelfs bijna 60%. Gezien over drie jaar schommelt het cijfer, maar het neemt niet spectaculair toe. Wat wel sterk evolueert, is de herkomst van de bekeken series. Tot dusver werden series vooral gebinged via geprogrammeerde opnames met de set-top box (dus series van de zenders zelf. Volgens de laatste cijfers zijn het vooral series van betalende streamingdiensten (zoals Netflix) die doorbreken: in het noorden bijna evenveel als die van de zenders, in het zuiden is het zelfs de meest bekeken soort van bekeken series. Bij de 12-34-jarigen is het met ruime voorsprong nummer een in beide regio's. Dat is een opmerkelijke mutatie: niet alleen omdat het een keerpunt is, maar ook omdat de evolutie heel snel gegaan is. In twee jaar tijd is de betalende streaming op de 12-plussers van 22 naar 33% geëvolueerd in het noorden en van 17 naar 32% in het zuiden. De sites en apps van de televisiezenders zijn de enige andere post die stijgt. Het aandeel van VOD vanwege de telecomoperatoren blijft stabiel, maar bescheiden: het is nooit echt van de grond gekomen. De toename van betalende streaming gaat in feite ten koste van de 'opnames', downloads of niet-betalende streaming (al dan niet legaal), en de 'analoge' dragers (BluRay/DVD).

Televisiebestedingen - 2019, een somber jaar

Voorafgaande opmerking: Om een juister beeld te geven van de bruto tv-bestedingen op zijn themazenders heeft de regie Transfer zijn valorisatiewijze in 2019 volledig herzien. Daarmee staan de tellers op nul voor het vervolg, maar vergelijken met 2018 is niet meer mogelijk. We integreren Transfer dus niet in de berekeningen, met uitzondering van TF1, omdat zijn manier van valorisatie ongewijzigd blijft voor beide jaren. Het jaar 2019 werd zoals verwacht afgesloten met een negatieve balans voor de bruto televisiebestedingen. Met een totaal van 1 miljard 581 miljoen euro (zonder de themazenders van Transfer) bedraagt de totale daling 2,3%. Ze is sterker in het zuiden (- 3,0%) dan in het noorden (- 1,9%). Als we naar de seizoenen kijken, stellen we vast dat het tweede trimester bijzonder zwak was, terwijl de maanden april en mei normaal de hoogste inkomsten van de zenders tijdens de eerste helft van het jaar vertegenwoordigen. In dat kader was de grote spelers een uiteenlopend lot beschoren. DPG gaat met 5% achteruit, een daling die in het bijzonder verklaard wordt door Q2 en de kidszenders die echt wegzakken. SBS is de enige regie die positief evolueert en 2% vooruitgaat, wat te wijten is aan de lichte daling van Vier en Vijf gecombineerd met de zeer sterke stijging van Zes. Bij IP is de situatie moeilijk. De drie historische zenders van de groep verliezen 8% en de cijfers blijven rood, ook met de toevoeging van TF1 (bij IP voor de laatste vier maanden van het jaar). Gezien over het hele jaar (Transfer + IP) boegte de Franse zender een vooruitgang van 75% ten opzichte van 2018. RMB blijft stabiel: de sterke stijging van de AG-groep compenseert de daling van de RTBF die het dit jaar zonder voetbal moet stellen (zonder de gegevens van de World Cup, blijven de openbare omroepen stabiel). De zwakte van de markt wordt vooral veroorzaakt door de gedeeltelijke verstek van de economische sectoren die gewoonlijk het sterkst aanwezig zijn op televisie. Voeding (meer bepaald via dranken - soft drinks, bier, koffie), beauty en verzorging (via verzorgingsproducten en toestellen) en cultuur&vrije tijd (meer bepaald via spelen/speelgoed). We merken ook de duidelijke daling van de diensten (via banken/verzekeringen) en telecom. Omgekeerd is de distributie het sterkst gestegen in 2019 (+ 32%), vooral via online verkoop, maar ook door grootdistributie. We mogen tot besluit niet vergeten dat deze waarden op het volledige tarief worden berekend, voor de betalende budgetten, net zoals voor de ruilen en compensaties. Daarom weerspiegelen ze in geen geval de evolutie van de zenderinkomsten, maar zijn ze wel een indicator voor de gezondheidstoestand van de markt.

SeenFromSpace
SeenFromSpace

2019, mobile first... and still growing

Gezien over drie jaar is de evolutie spectaculair. Begin 2017, nog niet zolang geleden dus, waren de computer even belangrijk om toegang te krijgen tot het internet. Ook al was de "daily reach" van beide devices anders naargelang de taalgemeenschap, ze waren ongeveer identiek als je ze bekeek ten opzichte van de Nederlandstalige of Franstalige gemeenschap. Hun parcours begon echter al snel uiteen te lopen. Eind 2019 is de toegang tot het internet op een gemiddelde dag echt ‘mobile first’. De penetratie van de smartphone voor dit criterium bedraagt zelfs het dubbele van die van de PC. Ondertussen legt de tablet een bescheidener, maar stabiel parcours af. Als we dat optellen bij dat van de smartphone, surften 30% van de Nederlandstaligen en meer dan 22% van de Franstaligen vorig jaar uitsluitend mobiel (Belgische sites). Datzelfde jaar vertegenwoordigden de exclusieve PC-surfers nog slechts 8% van de Vlaamse bevolking en minder dan 7% bij de Franstaligen (dagelijkse penetratie). We kunnen gerust aannemen dat de toename van de dagelijkse internetconsumptie – die vooral zichtbaar is in Vlaanderen – voor rekening van de toenemende inburgering van de smartphone is. Deze nog steeds groeiende positie van mobiel internet verklaart wellicht waarom er geen seizoenseffect van het bereik te zien is in de internetgegevens. Terwijl televisie tijdens de zomer (behalve als er grote voetbalwedstrijden zijn) enigszins daalt, lijkt het online bereik ongevoelig voor warmte en meer licht. Wat het internet betreft, hadden we al getoond dat op langere termijn (wekelijks of maandelijks bereik) de toegang via PC opnieuw aan belang wint: de op een gemiddelde dag ‘exclusive mobile’ gebruikers die vaak over een geavanceerde technologische infrastructuur beschikken, gebruiken op termijn uiteindelijk vaak een pc. Toch is de kans groot dat de eerste contacten van de Belgische surfers met een online boodschap om te beginnen via mobile gebeuren. Dat is een belangrijk gegeven voor de hele markt, van copy tot mediaplanning.

Canal Hanouna nu ook in België

Sinds begin dit jaar zenden de voornaamste televisieoperatoren het Franse station C8 ook in Franstalig België uit. De zender is eigendom van de groep Canal+ en vertegenwoordigt de verankering van de betaaltelevisiegroep in de wereld van de ‘gratis’ televisie. In Frankrijk bezette C8 de zevende plaats in de zenderranking voor 2019, met een gemiddeld bereikaandeel van 2,9 % op de bevolking 4+. Hoewel de zender pas recent bij ons opgedoken is, was zijn programmering toch al gedeeltelijk aanwezig. Via de exclusieve rechten die RTL België in handen had, werden de uitzendingen van Cyril Hanouna gedurende meerdere jaren op Plug-RTL uitgezonden. Dat was een interessante indicator betreffende het potentieel van de Franse zender in België, gezien de alomtegenwoordigheid van de Hanouna-pructies op C8. Vorig jaar behaalde de steruitzending ‘Touche pas à mon Poste’ (TPMP) bij ons een gemiddeld bereikaandeel van 4% op de 15-34-jarigen. Dat is een bijzonder eervolle score, gezien het aanbod, maar wel met grote schommelingen (van 0 tot 20%). Geleidelijk verloor TPMP echter veel bereik bij de 15-34-jarigen, waardoor zijn selectiviteit op de jongeren verdween. In een paar jaar tijd werd TPMP een programma voor het ‘grote publiek’, met een vrij interessant bereikprofiel, met vooral werkende mensen en VVA’s, voor meer dan 70% jonger dan 55 jaar en verrassend upscale gezien de inhoud. De zender beschikt dus over een evidente troef met de alomtegenwoordige, almachtige, controversiële maar bijzonder populaire animator-producer. In Frankrijk noemen kwatongen C8 ‘Canal Hanouna’, vanwege het aandeel dat zijn programma’s in het rooster in beslag nemen. Maar zit het Belgische publiek dat de formule al meerdere jaren kent, echt te wachten op een dubbele dosis? Niets is minder zeker. De rest van de programma’s is niet zo indrukwekkend: veel vaak Amerikaanse blockbusters die al elders te zien waren, weinig echte nieuwigheden voor de Belgische kijkers. Helaas zijn de bereikcijfers van de zender nog niet beschikbaar in de CIM TV, maar de laatste tijd werd gezegd dat de zender klaarstond om zijn bereik in België te commercialiseren: zijn intrede in de audimetrie zal dus niet lang meer op zich laten wachten. C8 is een kleine generalistische zender en geen themazender, met een beproefde content in Franstalig België, hij heeft dus een bereikpotentieel. Maar los van de impact die elke nieuwigheid heeft, zal het bereikniveau vooral afhangen van de mate waarin de kijkers verslingerd zijn aan het fenomeen Hanouna.

SeenFromSpace
SeenFromSpace

2024, digital 'numero uno'

Binnen enkele jaren zal België aansluiten bij een situatie die al een feit is in heel wat andere Europese landen en zal televisie niet meer het populairste medium bij adverteerders zijn, nu de buis vervangen is door de vele schermen (en kanalen) van digital. Volgend jaar zouden tv en online elk 31% van het totaal voor hun rekening nemen en dan (licht) uit elkaar groeien. Aan het einde van de door GroupM voorspelde periode – in 2024 – zou internet, ondertussen dus nummer een bij de adverteerders, 33% van het totaal vertegenwoordigen, tegenover 30% voor televisiereclame. Aldus de voorspelling van het volumineuze 'This year, next year', de bijbel van de mediabestedingen uitgegeven door GroupM. Dezelfde bron leert ons dat digital al hoger ligt in alle ons omringende landen: Frankrijk, Duitsland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk, aangevuld door een hele reeks andere in Europa. In België zouden de netto globale mediabestedingen volgens de analyse van het WPP-filiaal de komende jaren stagneren, met een gemiddelde jaarlijkse stijging van 0,4%, goed voor een bedrag van iets meer dan 2 miljard. De media kunnen met andere woorden enkel hopen op verschuivingen van het marktaandeel. De offline media zouden tijdens de periode 2020 tot 2024 gekenmerkt worden door een aanhoudende erosie. Non-digital dat in 2012 goed was voor meer dan 80% van het totaal, zou in 2020 nog minder dan 70% vertegenwoordigen en nog 67% in 2024. De sterkste verliezen zouden de pers, en dan vooral de magazines, treffen. Uiteraard gaat het om schattingen gebaseerd op methodes en veronderstellingen die achteraf niet gevalideerd kunnen worden: er bestaat geen netto kwantitatieve pige in België, en al helemaal niet voor digital. Maar de hierboven beschreven evoluties zijn niet uit de lucht gegrepen.

In 2019 zijn de Belgen nog steeds verknocht aan televisie, maar met andere gewoonten

Het zijn harde tijden voor klassieke televisie, zoals iedereen weet. Aan het einde van het decennium werden alle technologische evoluties en de nieuwe manieren op televisie te consumeren bekrachtigd, zelfs bij de meest weerspannige doelgroepen. Netflix en uitgesteld kijken behoren vandaag tot de mainstream consumptiegewoonten. Zenders gaan dus niet enkel de concurrentie aan met andere zenders, maar ook met zichzelf (kijk ik naar de live uitzending van vanavond of naar de opname?). In 2019 zijn de trends niet echt veranderd, wel sterker afgetekend. Het globale kijkvolume (Total Screen Usage) is niet verminderd, maar het uitgesteld kijken en de proporties van OSU (other screen usage) zijn nog toegenomen, met als neveneffect een daling van het live kijken. In het noorden hielden de zenders vorig jaar vrij goed stand bij de 35-plussers, maar de jongeren gaven blijk van veel minder belangstelling. In het zuiden gaan voor het eerst de 35-54-jarigen achteruit. In een tijdperk waarin het gemakkelijk is om uit een gigantische hoeveelheid content te kiezen, is het onmogelijk om iedereen tevreden te stellen met dezelfde content. Daarom kun je ondanks het dalende live bereik alleen maar onder de indruk zijn van de ongelooflijke weerstand die klassieke televisie biedt tegenover de enorme en veelvormige concurrentie. In 2019 besteedden de Belgen (15-54 jaar) gemiddeld drie uur per dag aan televisie, waarvan meer dan twee aan de klassieke zenders. De gemiddelde contactduur was zelfs nog langer en bedroeg ongeveer vier en een half uur (je kijkt niet noodzakelijk elke dag televisie). Maar de generatiekloof blijft spectaculairder dan ooit: de tijd die besteed wordt aan de zenders verschilt met het dubbele tussen de 15-34-jarigen en de 35-54-jarigen. Uiteraard verhult dit nationale gemiddelde een aantal regionale verschillen. Het kijkvolume ligt historisch hoger in het zuiden en de proportie tijd die naar ‘other screen usage’ gaat ligt hoger aan Franstalige dan aan Vlaamse zijde: ongeveer een derde in het zuiden tegenover een vierde in het noorden. Bij het uitgesteld kijken naar de zenders, is het omgekeerd: een kwart in het noorden tegenover een vijfde in het zuiden.

SeenFromSpace
SeenFromSpace

Er beweegt wat voor de CIM OOH-studie

Het nieuwe jaar was amper gestart en het CIM publiceerde al een nieuwe golf van de de Out Of Home-studie van het CIM (OOH). Die vertoont grondige wijzigingen, want de leverancier van de modellering van de verplaatsingen nam het verkeersluik grondig onder handen. Zo werden de anonieme gegevens van Proximus geïntegreerd (aangezien onze smartphones het mogelijk maken al onze verplaatsingen op te volgen). Deze herberekening leidde tot een toename met 3% van de verplaatsingen binnen het stedelijke habitat van het CIM. De vergelijking van deze resultaten met de vorige is dus niet echt relevant: van de 53 netwerken die vorig jaar gepubliceerd werden, zijn er slechts 22 min of meer rechtstreeks vergelijkbaar met de vandaag gepubliceerde cijfers. Er is bijzonder veel veranderd (zowel inzake de namen als wat het aantal plaatsingen betreft). Het grotere volume gepubliceerde gegevens (78 netwerken) is te danken aan de stations en de integratie van meer digitale panelen in de resultaten. Wat de stations betreft, vertonen de nationale formules van Publifer zeer homogene, maar beperkte dekkingsniveaus. Adverteerders die op zoek zijn naar een ruime nationale dekking (wat eerder courant is in out-of-home), zijn deze ‘stationsaanbiedingen’ per definitie complementair en met de nieuwe gegevens kan de precieze bijdrage in de plannen worden berekend. Digital vertegenwoordigt in gecombineerde formules gemiddeld 7% van de sites en 7.5% van de bruto contacten of VRP, met sterke individuele schommelingen. Een digitaal paneel levert gemiddeld 7.305 contacten per dag, wat bijna equivalent is aan een klassieke ‘papieren’ plaatsing (goed voor 7.311 contacten). De schommelingsmarge rond dit gemiddelde is iets minder groot voor digitale panelen, maar ze blijft aanzienlijk. Nu is het afwachten wat de bijdrage van de nieuwe gegevens uit de CIM OOH inhoudt: ‘the proof of the pudding is in the eating’.

Gratis voetbal op tv, hoelang nog?

De Pro-League opende dus zijn aanbesteding voor de televisierechten van de vier tot vijf komende jaar. Naar verluidt mikt de liga op zo’n 100 miljoen euro per jaar, wat een toename met 20% is ten opzichte van de vorige periode. Momenteel zijn de televisierechten voor het Belgisch voetbal verdeeld over de tv-operatoren en de televisiezenders. Eerstgenoemden hebben de rechten in handen van de Proximus League (1B) en de Jupiler Pro League (1A), meteen ook de populairste, waarvan de wedstrijden enkel met een abonnement bekeken kunnen worden. De VRT en de RTBF hebben weliswaar de rechten voor de uitzending van magazines en samenvattingen van de Jupiler League. ‘Extra Time’ in het noorden en ‘Studio Foot’ in het zuiden zijn gewaardeerde uitzendingen, zeker bij een mannelijk publiek. De Beker van België wordt dan weer uitgezonden door Q2 en de VRT aan de ene kant en Club-RTL aan de andere. Deze competitie is populairder in het noorden dan in het zuiden (er zijn meer Vlaamse dan Franstalige teams) en het bereik verschilt sterk naargelang de ploegen die spelen. Zo zal de aanwezigheid van Standard bijvoorbeeld de tellers op Club-RTL op hol doen slaan. Ook al zijn de reclame-inkomsten voor deze uitzendingen niet te versmaden, van de jackpot is ook geen sprake. Als je weet dat de zenders zeker geen onbeperkte aankoopbudgetten hebben, kunnen ze dan nog blijven bieden? In België moeten ze het tot dusver opnemen tegen de telecom-operatoren – serieuze concurrenten met aanzienlijke middelen; in de andere, grote Europese landen duiken nog robuustere spelers op. Amazon doet al mee in Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, waar het een stuk van de Premier League (het meest prestigieuze en drukst gevolgde kampioenschap ter wereld) veroverde. Bij onze Franse bureau kocht de Chinees-Spaanse groep Mediapro de rechten voor de Ligue 1 voor de komende vijf jaar. In Frankrijk is voetbal trouwens zowat volledig betalend geworden. Ligue 1, Ligue 2, Champions League, Europa League, buitenlandse kampioenschappen… zijn verdeeld over Mediapro, Canal+, RMC Sports en Bein Sports uit Qatar, allemaal via betalende formules. De cumul van de abonnementen vertegenwoordigt een aanzienlijke som voor voetbalfans. Bij ons zijn de Beker van België, de Champions League of de Europa League nog altijd te bekijken via een gewoon televisiedistributieabonnement. Maar voor hoelang nog? Natuurlijk zijn de grote landen potentieel lucratiever dan onze markt die duidelijk niet het eerste doelwit van speculanten is. Maar we evolueren duidelijk toch naar een ander model. Wordt dat geschoeid op Franse leest? Dat zien we wellicht tijdens het eerste trimester volgend jaar, met de toekenning van de loten van de Pro-League.

SeenFromSpace
SeenFromSpace

Een wereld zonder cookies, OK of niet OK?

De community van de ontwikkelaars bereidt zich voor op een serieuze herinrichting van Chrome, de bekende browser van Google. De 80-versie die gepland is tegen februari volgend jaar, zal naar verluidt voorzien zijn van een beter beveiligde parametrage voor de cookies. De uitleg is behoorlijk technisch. En het toepassingsveld van het nieuwe beleid gaat verder dan reclametracking: voor sommige apps kan het blokkeren van third party cookies ertoe leiden dat ze niet meer werken. Firefox waarschuwt trouwens dat het blokkeren van alle cookies bepaalde websites kan doen crashen. En biedt bijgevolg een parametrage op maat. Maar zoals blijkt uit de vergelijking van de marktaandelen van de voornaamste browsers, is Firefox geen hoofdrolspeler. Hij staat op drie in een lijst die geen 100 namen telt. Met grote voorsprong op een staat Chrome dat natuurlijk kritischer is voor het internet, in België of ergens anders. Een aangekondigde verstrenging inzake cookies laat dus niemand onverschillig. Des te meer omdat Google tegelijk meldt dat het de strijd aanbindt met ‘fingerprinting’, een vervangingstechniek voor cookies. Kortom, reclametracking wordt geviseerd. Terwijl Safari en Firefox al moeilijk terrein zijn voor de opvolging per cookie, is het begrijpelijk dat de aangekondigde intenties van de marktleider onrust baren. Volgens sommigen komt een cookievrije wereld (of toch zonder ‘third party’ cookies) in het verschiet, wat de kaarten zou herverdelen, ten voordele van de gelukkige bezitters van ‘first party data’. En toevallig is Google niet de slechtst bedeelde op dat vlak. Gezien zijn huidige positie kun je moeilijk iets anders antwoorden dan OK…

Heeft IP de reclamebestedingen op TF1 geboost?

TF1 België is nu sinds drie maanden in regie bij IP. Had deze overstap een positief effect op de investeringen van Belgische adverteerders op de Franse zender? Een poging tot evaluatie. Op basis van de bruto MDB-cijfers hebben adverteerders hun tv-investeringen in het zuiden van het land in de eerste zeven maanden van 2019 aanzienlijk vertraagd. Afgezien van de themazenders van Transfer, is de markt met 8% gedaald ten opzichte van de periode januari-juli 2018. In augustus evolueerde de maandelijkse index eindelijk opnieuw in positieve richting, een trend die doorzette en zelfs toenam in september, oktober en november. In deze context vertoont TF1 sinds september tekenen van spectaculaire groei en is het aantal investeringen ten opzichte van 2018 min of meer verdubbeld. Het gaat om een coherente trend, aangezien het aantal spots tijdens dezelfde periode meer dan verdubbeld is. Voor de periode september-november zien we dus een globale markt die lichtjes is gestegen (+ 4%) en TF1 dat zijn cijfers bijna verdubbelt (+ 93%). Van vijfde in de investeringsranglijst voor het eerste kwartaal, is TF1 nu doorgestoten naar de derde plaats en zijn vijftig adverteerders die niet aanwezig waren vóór het begin van het seizoen sinds 1 september wel actief. Dus ja, de overstap naar IP lijkt gunstig te zijn geweest voor TF1. Maar zijn aanwezigheid op de markt verandert niets aan de grootte van de taart, wel aan de verdeling. Als je weet dat het volume van TF1 sterker gegroeid is dan het totaal, moet het verschil dus noodzakelijkerwijze ten koste van de concurrenten zijn gegaan. Tijdens de bestudeerde periode bleven echter alle kanalen stabiel, met uitzondering van RTL-TVI en Club-RTL. Die zien hun investeringsaandeel dalen ten gunste van TF1. Anderzijds blijft het aandeel van de RTBF stabiel en dat van AB gaat licht omhoog. We mogen niet vergeten dat de regiewissel gebeurde in de loop van het jaar. Dat betekent dat de meeste adverteerders op dat moment al verplichtingen hadden afgesloten voor het hele jaar. Tegelijk is het logisch dat RTL-TVI het belangrijkste slachtoffer is van TF1. Aangezien de twee kanalen bijna identieke doelgroepprofielen hebben wat betreft leeftijd, sociale groep en geslacht, bereiken ze dezelfde mensen en zijn ze niet complementair (los van de korte termijn betreffende het verloop van de dagen van de week). Budgetten verplaatsen van RTL-TVI.

SeenFromSpace
SeenFromSpace

Niet alleen het aandeel van technologie stijgt in de Belgische huishoudbudgetten

Pas de laatste weken van 2019 werden de resultaten van de federale enquête naar de budgetten van de gezinnen voor 2018 gepubliceerd (ook wel 'HBS' genoemd, wat staat voor Household Budget Survey). Net voor de volgende editie van start gaat, want het gaat om een tweejaarlijks onderzoek. De grote lijnen onthullen geen spectaculaire ontdekkingen: de grote uitgaveposten zijn, in volgorde, wonen, voeding en vervoer. Wij keken even naar de 'kleinere' posten (maximum 2% van het totaal), maar bedragen die rechtstreeks de media aanbelangen. Sinds de invoering van een nieuwe typologie in 2012, is de toegang tot internet en televisie aanzienlijk gestegen. Van gemiddeld 590 euro in 2012 naar 812 in 2018. Het aandeel van het budget dat aan deze post besteed wordt, ligt 36% hoger dan in 2012, hoewel het ondertussen wel gestabiliseerd lijkt. De uitgaven voor de smartphone zijn dan weer aanzienlijk gestegen. Iedereen weet dat Belgen almaar meer op het internet surfen via hun smartphone en dat heeft een instant impact op hun toestellen. Helaas kan niet hetzelfde gezegd worden van de magazines, kranten en tijdschriften: die gaan sterk achteruit, zowel in absolute cijfers (van 160 euro in 2012 vs. 122 in 2018) als in aandeel (-24%). We kunnen ervan uitgaan dat hier enkel rekening gehouden wordt met de papieren versies. Een deel van het verlies is dus misschien overgegaan naar de categorie van de internetdiensten en die gaat wel sterk omhoog. De pers is de enige rubriek waar de beschikbare cijfers details per regio geven. Daaruit blijkt dat de daling van de papieren aankopen het grootst is bij de Vlaamse gezinnen: van 0,5% van het totaal in 2012 naar 0,3% in 2018. Opgelet: niet alleen de technologie is vooruitgegaan binnen de uitgavenmix van de Belgische gezinnen. In 2012 gaven de Belgen gemiddeld 23 euro per gezin uit aan filmtickets en abonnementen; in 2018 is dat 31 euro. Bescheiden bedragen, maar wellicht toch een mooie impuls voor de desbetreffende industrie.

1999-2019: we kijken vandaag meer tv!

Iedereen weet dat jongere generaties veel minder televisiekanalen kijken dan hun oudere voorgangers op dezelfde leeftijd, en al helemaal als het om lineaire tv gaat. Maar hoe evolueerde de kijkduur in feite? We hebben de evolutie van de dagelijkse kijkduur (ATV) tussen 1999 en 2019 geanalyseerd door het universum van de CIM TV te verdelen in stukken van tien (4-14, 15-24, 25-34, enz.). Bedoeling is om vragen te beantwoorden als: "Welke televisiekijkers van 35-44 jaar werden in 2019 de kijkers die in 1999 15-24 jaar oud waren in termen van kijkvolume?" Daarbij wordt uiteraard rekening gehouden met de vele evoluties van CIM TV gedurende deze lange periode, om aldus vergelijkbare dingen te kunnen vergelijken. Qua live-visie kijken enkel Franstalige millennials die in 1999 tussen de 4 en 14 jaar oud waren 20 jaar later (25-34 jaar oud) minder live televisie. De Vlaamse 4-14-jarigen van toen kijken evenveel, en alle oudere groepen kijken meer. Als we het uitgestelde kijken toevoegen (gemeten sinds 2009 maar geïntegreerd in de CIM-currency sinds 2010), zien zelfs deze Franstalige kinderen van 1999 hun index positief evolueren. Dezelfde kijker besteedt dus meer tijd aan televisiekanalen dan in 1999, ongeacht hoe oud hij in 99 was! Als we vervolgens het Other Screen Usage toevoegen (dat in 1999 beperkt was tot de videorecorder, maar in 2019 DVD, VOD, digitale opnames, consoles en andere apparaten omvat), schieten de cijfers omhoog. Voor dezelfde kijker, ongeacht de leeftijdsgroep in 1999, ligt de kijktijd voor televisie (alle activiteiten samen) in 2019 tussen 45% en 85% hoger dan in 1999. Er zijn vandaag inderdaad zoveel meer dingen te doen met een tv-scherm dan 20 jaar geleden. Ter herinnering, de eerste dvd-spelers werden hier in 1998 op de markt gebracht. Natuurlijk komt de neiging om meer televisie te kijken naarmate je ouder wordt, niet als een verrassing. En ja, uitgesteld kijken – iets wat nog niet bestond in 1999 - is nefast voor televisiereclame en is blijven toenemen. Als we naar dezelfde doelgroep kijken (en dus niet dezelfde mensen), moeten we wachten op de leeftijdscategorie van de 25-34-jarigen om een equivalente totale tv-consumptie terug te vinden als twintig jaar geleden. En binnen tien jaar zouden dezelfde berekeningen op generation Z negatieve cijfers kunnen opleveren. Maar het is toch verbazend dat de kids uit 1999 die vandaag tussen 25 en 34 jaar zijn, nog steeds elke dag 70 minuten meer tv kijken dan toen ze kind waren (Total Screen Usage, gemeten door het CIM, dus enkel op het tv-toestel).

SeenFromSpace
SeenFromSpace

België behoorlijk eensgezind inzake online entertainment

Internet dient soms (of vaak, afhankelijk van de job) om te werken: mails, self banking,… Daarnaast zijn er de entertainmentactiviteiten: audio, video, lezen, gamen of sociaal netwerken. Kwartaal na kwartaal maakt de Global Web Index (GWI) het mogelijk om de evolutie van het gebruik op een min of meer nauwkeurige manier te volgen, met een onderscheid tussen de twee taalgemeenschappen. Tenminste op de leeftijdsgroep specifiek voor GWI: 16-64 jaar. In 2019 is er weinig verschil tussen de twee regio's wat betreft toegang tot internet (95% overal) en het belang van mobiele telefoons om te surfen (86% NL en FR). Ook het occasionele gebruik van de verschillende vormen van online entertainment (sociale media, pers, streaming video of audio, zonder gaming, omdat het niet noodzakelijkerwijs online gebeurt) is behoorlijk gelijklopend: een beetje meer sociale netwerken voor de Franstaligen, iets meer pers en videostreaming voor de Nederlandstaligen. Het verschil inzake audiostreaming is het grootst en bedraagt 20% in totale penetratie. Maar het gaat hier niet noodzakelijk over frequent of intensief gebruik. Door in te zoomen op de "heavy" en "zware gebruikers" die door de GWI zijn gedefinieerd als degenen die ten minste één uur dagelijks gebruik verklaren, blijken de Franstaligen systematischer ijveriger. Soms een beetje (online video), soms matig (pers en sociale media) en gevoelig (audio), met een verschil van 27% tussen beide taalgroepen, wat betreft Spotify, Soundcloud, Google Play Music, enzovoort. Online gebruik lijkt daarom over het algemeen minder te verschillen dan die in traditionele media, vooral bij tv- en radio.

In Frankrijk gaat tv prat op zijn efficiënte impact op sales

In Frankrijk groepeert het Syndicat National de la Publicité TV (SNPTV) de verschillende audiovisuele regies ter promotie van het medium. Deze maand presenteerden de leden met veel luister een uitgebreide econometrische studie over de efficiëntie van de verschillende media voor de verkoop. De analyse ontleedde de wekelijkse verkoop op drie jaar (2016 tot 2018) van vijftien merken of producten verdeeld over vijf sectoren: voeding, hygiëne/schoonheid, automobiel, banken & verzekeringen en Internet pure players (er werden geen namen onthuld). Met het ook op de neutraliteit werd de uitvoering van de studie toevertrouwd aan externe spelers, consultants en mediabureaus. Eerste grote les: de verkoop van de gehele pool van bestudeerde merken hebben een basis van 61% (een sokkel van ‘natuurlijke verkoop’ die sowieso gebeurd zou zijn). Daarnaast werd rekening gehouden met twaalf mediafactoren: klassieke tv, tv sponsoring, catch-up tv, online video, digital display, social (behalve Facebook), Facebook, affiliation in digital, pers, radio, OOH-affichage en bioscoop. Samen zijn ze goed voor 16% van de verkoop en vormen dus de eerste externe bijdrage, ver voor promotie (6%) en search engine advertising (3%). In de pool van bestudeerde producten vertegenwoordigde televisie 62% van de netto budgetten en een bijdrage van 65% aan de verkoop. Digital in zijn geheel zou verantwoordelijk zijn voor 20% van de verkoop en een gewicht van 19% in de mediamix. De andere offline media verklaren 15% van de omzet en worden voor 19% geïnvesteerd. Met andere woorden de bijdrage van de mediacategorieën ligt vrij dicht bij hun aandeel in het totaal. De SNPTV benadrukt de drie punten verschil tussen het investeringsaandeel en het rendementsaandeel van de televisie. Daar is niks mis mee. Het verrassendst is het zeer beperkte aandeel van promo. Dat doet twee vragen rijzen: waarom wordt het gedefinieerd buiten de sectoren van de courante verbruiksproducten? En wat is de schommeling van 6% tussen de verschillende productcategorieën? Het zijn maar twee van de structurele vragen die we bij dit verder opmerkelijke initiatief hebben.

SeenFromSpace
SeenFromSpace

Het lange termijneffect van de franse mediadrager

Op basis van een econometrisch model gerealiseerd op vijftien merken en producten uit vijf sectoren (zie elders), bekijkt het ‘#ROITV’ onderzoek dat gevoerd werd door de groepering van de Franse tv-regies het rendement van de acties in de media. De term ‘ROI’ is misschien niet goed gekozen: het gaat gewoon om omzet die gecreëerd wordt door de investering in het medium (voor sommigen, en meer bepaald de Britse IPA, moet de ROI op een veel striktere manier berekend worden, niet door rekening te houden met de omzet, maar wel met de incrementele winstmarge). De gepubliceerde resultaten zijn echter niet enkel positief voor televisie. Terwijl die iets meer dan vijf euro verkoop oplevert per geïnvesteerde euro, flirt de bioscoop met tien. Maar het financiële rendement op korte termijn is maar een aspect van de efficiëntie: reclame in de betalende media dient ook ter ondersteuning van de merken, los van de onmiddellijke verkoop. Het franse onderzoek onderzocht dus de verhouding tussen het effect op korte en lange termijn (lange termijn is meer dan zes maanden). Voor een korte termijn van 100 staat het geheel van bestudeerde media voor 154 op lange termijn. Een derde van de efficiëntie van de investering doet zich dus voor op uitgesteld niveau. Wat dat betreft, doet televisie in zijn verschillende vormen het erg goed: het effect op lange termijn is meer dan het dubbele van dat op korte termijn, met een index van 210 voor het medium in zijn geheel. Digital doet het minder goed: enkel online video benadert de algemene index van de media (wat SNPTV benadrukt: het is een communicatievorm die dicht aanleunt bij TV), maar de andere gepubliceerde online kanalen zijn veel zwakker. Dat verder kijken dan de korte termijn, is een van de meest interessante aspecten van het onderzoek. We hebben wel wat vragen bij de representativiteit van de resultaten: ondanks de omvang van het geleverde werk, kun je je afvragen of de lessen uit vijftien merken veralgemeend kunnen worden naar een hele markt?

Offline mediabestedingen - Niets lijkt 2019 te kunnen redden

Het MDB-onderzoek (Nielsen) publiceerde de gegevens voor september: een goede gelegenheid voor de traditionele driemaandelijkse stand van zaken betreffende de bruto bestedingen in offline media. Het eerste semester werd gekenmerkt door een tekort van bijna 5% ten opzichte van 2018. Drie maanden later is dit verschil met bijna de helft weggewerkt. Moeten we dat als een heropleving zien? Ook al is het derde trimester het enige dat afgesloten wordt met een positieve evolutie, het gaat om slechts 2% en de maand juli maakte een einde aan een lange serie van vijf maanden met -8%. Augustus pakt uit met een aarzelende +3%. In september is er sprake van een echte vooruitgang met 7% (vs sep-18), onder impuls van televisie, out of home en radio. Laatstgenoemde doet het dus weer beter, na een dipje tijdens het eerste semester. Out-of-home van zijn kant piekt in september, dankzij een stijging van 31% (20% als we vertrekken van een evenredig aantal maandagen). Op televisie verschilt de realiteit aanzienlijk van de uitspraken door de regies die het medium verkopen. Nadere analyse van de cijfers toont immers dat de stijging bijna volledig te wijten is aan de behoorlijk grillige valorisatie van de Transfer-budgetten. Zonder deze laatste zakt de stijging van 12% tot minder dan 2%. Daardoor daalt de globale stijging van september van 7 naar 3% en is de evolutie van het trimester zelfs negatief. Van heropleving is er dus geen sprake. Globaler gezien vertoont MDB van januari tot september een daling van 3% ten opzichte van 2018. OOH, radio en bioscoop zijn de enige media die niet negatief evolueren. Ondertussen is digital (dat nog steeds niet in de studie is opgenomen) wellicht gestegen met 10 tot 15%. Als we naar de groeipolen kijken, genereren slechts vijf sectoren 50% van de positieve evolutie. Postorderverkoop (vooral via het internet), energie, media (met klaarblijkelijk een minderheid van betalende investeringen), koekjes (terwijl food globaal sterk daalt) en de syndicaten, partijen en ziekenfondsen (dankzij de grote Vlaamse politieke partijen). Bij de dalende segmenten zien we de verkooppunten, de banksector, de autosector en telecom.

SeenFromSpace
SeenFromSpace

Dagbladbijlagen, magazines zoals de rest?

De bijlagen van de Belgische dagbladen worden in de Nielsen-pige logischerwijze opgenomen in de categorie van de magazines. Ze komen aan bod in een aparte rubriek van de CIM NRS-bereikstudie. Maar zijn ze ook anders? Als we terugdenken aan onze analyse van de promotors, is het verschil miniem. De krantenbijlagen tellen 16% promotors binnen hun bereik, tegenover 17% bij de andere magazines. Deze keer buigen we ons over de verklaarde leesgewoonten: de gelezen proportie enerzijds, het aantal keer ze ter hand worden genomen anderzijds. De kwestie van de proportie wordt zowel voor papier als voor de digitale editie gesteld (met een andere ‘wording’) en bepaalt 5 niveaus, van een volledige lezing tot het gewoon doorbladeren. Ook voor het aantal keer dat ze ter hand worden genomen, kunnen de respondenten kiezen uit 5 niveaus, van 1 tot 5 keer en meer om het aantal leessessies te bepalen (zowel papier als digital). Wat de gelezen proporties betreft (berekend ten opzichte van het bereik laatste periode van elke titel en dan uitgedrukt in gewogen gemiddelde), zijn de verschillen tussen de magazines en de krantenbijlagen miniem. Als we alle verklaringen samenvoegen, wordt bijna 60% van de eerste categorie en 62% van de tweede gelezen. Zeer vergelijkbaar dus. Er is weinig verschil in het aantal keer dat de titels ter hand worden genomen: bijna 55% van de ‘lectuur laatste periode’ van de krantenbijlagen gebeurt in een keer en drie vierde in twee keer of minder. Bij de magazines gebeurt minder dan 40% van het lezen in een enkele sessie en de frequente extra sessies vertegenwoordigen bijna 15% van het totaal (bijna drie keer zoveel als de andere categorie). Dat heeft zijn weerslag op de gemiddelden: een magazine wordt gemiddeld in 2,5 keer gelezen, tegenover 1,9 keer voor de krantenbijlagen. Magazines hebben de reputatie een lange levensduur te hebben, maar krantenbijlages delen met hun dagbladen hun kortstondigere bestaan, toch in het algemeen.

Digitale audio doet het goed, Spotify doet nog beter

De muziekmarkt is niet meer dezelfde, sinds streaming zijn opwachting maakte. Volgens de pers zijn de globale resultaten van Spotify prima, zowel inzake gebruikersaantallen als wat de omzet betreft. Als we kijken naar de gebruikers, is ons land geen uitzondering. Volgens de Global Web Index zou de penetratie van audio streaming in ons land tijdens het eerste semester met 5% toegenomen zijn in vergelijking tot dezelfde periode in 2018. Spotify boekt een vooruitgang van 29%. De groei is vooral te danken aan de betalende versie die zomaar even met 88% stijgt. Tijdens het eerste semester zou de kloof tussen Vlamingen en Franstaligen bij de streaming dienst ook toegenomen zijn, met een verschil van meer dan tien punten, terwijl de digitale audiomarkt eerder evenwichtig verdeeld is tussen noord en zuid. Spotify onderscheidt zich ook duidelijk van soortgelijke aanbiedingen: de penetratie bedraagt het dubbele van die van veteraan iTunes. Er zijn nog verschillen tussen noord en zuid. Kijk maar naar het Franse Deezer dat veel beter ingeburgerd is aan Franstalige zijde of AppleMusic en Soundcloud die het beter doen in het noorden. De situatie zou nog kunnen veranderen in de toekomst, ook al zijn de grote bewegingen nu begonnen bij de video streaming.

SeenFromSpace
SeenFromSpace

Rossel neemt Ciné-Télé-Revue over

Met de overname van de groep Ciné-Télé-Revue, versterkt Rossel zijn toch al aanzienlijke leadership in het zuidelijke landsgedeelte. Van 46% vertegenwoordigt de groep van de Koningsstraat nu 49% van het totale meetbare volume aan Franstalige zijde. Voor deze conclusie baseren we ons op de geauthentificeerde meetbare gegevens inzake de printverspreiding voor 2018, zoals het CIM ze publiceerde. Om rekening te houden met de verschillende periodiciteiten berusten de gegevens van het marktaandeel op het resultaat van een vermenigvuldiging van de gemiddelde meetbare verspreiding met het aantal verspreide nummers op een jaar (en een algemeen totaal van meer dan 273 miljoen verkochte of verspreide exemplaren in 2018). Deze aandelen betreffen enkel de Belgische titels die uitgegeven werden in het Frans en het Duits. De grafiek links geeft de rangschikking in volumeaandeel per uitgever zoals doorgegeven door het CIM. De grafiek rechtsboven geeft de samengevoegde volumes per uitgever (uitgevers zoals wij die gedefinieerd hebben). Dezelfde methode werd toegepast voor het opstellen van de aandelen in betalend digital (grafiek rechts onder). Ook daar domineert Rossel (ook zonder Ciné Télé Revue), maar in een veel beperkter kader. De audit van de CIM-verspreiding houdt enkel rekening met de betalende online versies, wat de beoogde markt aanzienlijk beperkt (uitgevers halen een groot volume via de gratis online toegang). Zowel in print als in digital zou de nakende verkoop van les Editions de l’Avenir kunnen leiden tot een herschikking, zeker als IPM het haalt. Maar in het printuniversum wordt Rossel leader, wat er ook gebeurt.